Hieronder lees je hoe je Take 5! speelt. Deze uitleg is gebaseerd op de officiële spelregels van 999 Games. Take 5! is een kaartspel van Wolfgang Kramer voor 2 tot 10 spelers vanaf 10 jaar, waarin je genummerde kaarten in vier rijen aanlegt en probeert te voorkomen dat je een volle rij moet oprapen. Een partij duurt ongeveer 45 minuten.
Doel van het spel
Je verzamelt tijdens het spel kaarten die je liever niet wilt hebben. Op elke kaart staan namelijk koeienkoppen afgebeeld en elke koeienkop is één minpunt. Wie aan het eind van de partij de minste koeienkoppen voor zich heeft liggen, wint.
Voorbereiding
- Leg pen en papier klaar om de scores bij te houden.
- Schud alle 104 kaarten grondig.
- Deel iedere speler 10 kaarten. Je bekijkt je eigen kaarten en houdt ze verborgen voor de andere spelers.
- Trek vier kaarten van de resterende stapel en leg ze open onder elkaar op tafel. Dit zijn de startkaarten van de vier rijen.
- Leg de overgebleven kaarten opzij. Die heb je pas in de volgende partij weer nodig.
Elke rij mag inclusief de startkaart maximaal vijf kaarten lang worden.

Spelverloop
Een partij bestaat uit tien identieke rondes. In elke ronde speelt iedereen precies één kaart uit, net zolang tot alle handkaarten op tafel liggen.
Kaarten uitspelen
Iedere speler kiest tegelijk een kaart uit de hand en legt die gedekt voor zich neer, zodat niemand ziet welk getal erop staat. Pas als iedereen een kaart heeft gekozen, worden alle kaarten tegelijk open gedraaid.
Daarna worden de kaarten één voor één aangelegd, van laag naar hoog. De speler met de laagste kaart begint, daarna volgt de speler met de op één na laagste kaart, en zo verder tot ook de hoogste kaart van die ronde in een rij ligt. Binnen een rij leg je de kaarten steeds naast elkaar.
Waar leg je je kaart neer?
Elke uitgespeelde kaart past maar in één rij. Twee regels bepalen samen welke rij dat is.
Regel 1, oplopende getallenvolgorde. De getallen in een rij moeten altijd oplopen. Je kunt je kaart dus alleen aanleggen achter een laatste kaart met een lager getal.
Regel 2, kleinste verschil. Blijven er meerdere rijen over waar je kaart volgens regel 1 in past, dan kies je niet zelf. Je legt de kaart in die rij waarvan de laatste kaart het kleinste verschil heeft met jouw getal.
Stel dat de rijen eindigen op 12, 37, 43 en 58 en dat er een 44 wordt uitgespeeld. Volgens regel 1 mag die kaart in de eerste, tweede of derde rij. Het kleinste verschil is dat met de 43, dus de kaart komt in de derde rij te liggen.
Wanneer moet je kaarten pakken?
Zolang je je kaart gewoon kunt aanleggen, gebeurt er niets bijzonders. Vervelend wordt het pas als een rij vol is of als je kaart nergens past.
Regel 3, volle rij. Een rij is vol zodra er vijf kaarten liggen. Moet jij volgens regel 2 een zesde kaart aan die rij toevoegen, dan neem je alle vijf de kaarten uit die rij en leg je ze voor je neer. Jouw kaart wordt vervolgens de eerste kaart van de nieuwe rij op die plek.
Regel 4, laagste kaart. Speel je een kaart uit die te laag is om ergens aangelegd te worden, dan moet je een complete rij pakken. Je kiest zelf welke rij dat is en neemt alle kaarten daaruit. Jouw lage kaart wordt daarna de eerste kaart van de nieuwe rij. In de praktijk kies je vrijwel altijd de rij met de minste koeienkoppen.
Alle kaarten die je op deze manier incasseert, leg je op een eigen stapel voor je op tafel. Je vult je hand niet aan, dus je speelt de hele partij met de tien kaarten waarmee je begon.

Koeienkoppen en minpunten
Op elke kaart staan tussen de getallen koeienkoppen afgebeeld en elke koeienkop levert één minpunt op. Het aantal hangt af van het getal.
- Kaarten die eindigen op een 5, zoals 5, 15 en 25, hebben 2 koeienkoppen.
- Kaarten die eindigen op een 0, zoals 10, 20 en 30, hebben 3 koeienkoppen.
- Kaarten met twee dezelfde cijfers, zoals 11, 22 en 33, hebben 5 koeienkoppen.
- De 55 eindigt op een 5 én bestaat uit twee dezelfde cijfers en heeft daardoor 7 koeienkoppen.
- Alle overige kaarten hebben 1 koeienkop.
Einde van het spel en puntentelling
De partij is afgelopen zodra iedereen zijn tien kaarten heeft uitgespeeld. Iedere speler telt de koeienkoppen op de eigen geïncasseerde kaarten en noteert dat aantal als minpunten. Daarna begint meteen een nieuwe partij.
Zodra één speler in totaal 66 of meer koeienkoppen heeft verzameld, stopt het spel en wordt de eindstand opgemaakt. De speler met de minste koeienkoppen wint. Je mag voor aanvang ook een andere grens afspreken als je korter of langer wilt spelen.
Varianten voor gevorderden
De volgende twee varianten zijn bedoeld voor spelers die meer grip op het spel willen. De gewone regels blijven gelden, je voegt er alleen iets aan toe. Je kunt de varianten los of gecombineerd gebruiken.
1. Alle kaarten in het spel zijn bekend
Je speelt met een beperkt aantal kaarten, zodat iedereen weet welke getallen er in omloop zijn. Het aantal kaarten dat in het spel blijft, bereken je door het aantal spelers met tien te vermenigvuldigen en er vier bij op te tellen. Met drie spelers gebruik je dus de kaarten 1 tot en met 34 en met vier spelers de kaarten 1 tot en met 44. Alle hogere kaarten haal je uit het spel.
2. Spelers kiezen hun eigen kaarten
Leg alle kaarten open op tafel. Om beurten kiest iedere speler steeds één kaart, tot iedereen tien kaarten in de hand heeft. De vier kaarten die daarna nog op tafel liggen, worden de startkaarten van de vier rijen. Verder verloopt het spel volgens de normale regels.