Loki en Izanami hebben honger. Als de goden geen bliksem naar nietsvermoedende stervelingen slingeren, zitten ze zich vol te proppen met offers. Omdat er nooit genoeg zoetigheid is voor alle goddelijke magen, lossen ze dat op hun eigen manier op. In Gods Eat First gaan ze met elkaar op de vuist en mag alleen de winnaar blijven eten.
Gods Eat First is een klein kaartspel waarin je slagen speelt en tegelijk inzet en bluft. Illustrator Piet van Rosmalen maakte het spel en geeft het in eigen beheer uit. Ons exemplaar komt uit een van de eerste oplagen. In de spelregels nodigt de maker spelers uit om hun ervaringen te delen, zodat hij het spel verder kan verbeteren. In deze review lees je hoe goden uit drie religies om hun offers strijden, hoe een potje verloopt en of dit doosje in jouw spellenkast thuishoort.
Goden met een volle mond
De goden in Gods Eat First komen uit drie religies. De Japanse Shinto-goden, de Noorse goden van de Vikingen en de Griekse goden vormen samen de kaartstapel. Elke religie werkt daarin als een kleur in een gewoon kaartspel, met een torii, een vikinghelm of een Griekse tempel als herkenningsteken. Binnen een religie heeft elke god een rang van 1 tot 6. Hoe lager het getal, hoe machtiger de god.
Het thema zit vooral in de verpakking van het spel. Onder de goden en offers ligt een slagenspel met inzetten zoals bij poker. Met een gewoon pak kaarten zou dat grotendeels ook werken. Toch heeft de maker er meer werk van gemaakt dan alleen een thematisch sausje. De zwakkere goden hebben een eigen kracht die bij hun mythologie past. Loki gooit als echte bedrieger de rangorde van het volgende gevecht om en Izanami, de Japanse godin van de dood, laat verliezers dubbel betalen. De offerfiches sluiten daar mooi op aan, want je zet letterlijk je eten in en raakt het kwijt als je verliest. Dat je bij elke verhoging “moarrr!” moet roepen, zegt wel iets over de sfeer die het spel probeert uit de dragen.
Die sfeer zie je terug in de tekeningen. Piet tekent de goden als mollige smulpapen die volledig opgaan in hun eten. Demeter stopt een tros druiven in haar mond en Athena plukt olijven terwijl ze een volle schaal vasthoudt. De stijl is kleurrijk en cartoonesk en blijft over de kaarten heen herkenbaar.
Aan het materiaal merk je wel dat dit een eerste oplage van een kleine maker is. Het doosje is functioneel, maar voelt als een standaard verzenddoosje dat je zelf in elkaar vouwt, alleen dan met een opdruk. De offerfiches zijn ronde schijfjes met een paarse afbeelding van een offerande. De spelregels staan op een uitvouwblad met een schets van een schranzende god en een QR-code voor feedback. Een luxe uitgave is het dus niet. Daar staat tegenover dat alles in een klein pakketje past dat je zonder moeite in een rugzak of jaszak meeneemt.

Spelmateriaal
- Godenkaarten in drie religies (Shinto, Viking en Grieks), elk met een rang van 1 tot 6
- Offerfiches
- Spelregels (uitvouwblad)
- Doosje
Opzet van het spel
- Iedere speler krijgt 9 offerfiches. Speel je met 5 spelers, dan krijgt iedereen er 7.
- Bepaal wie de meest goddelijke speler aan tafel is. Die speler begint het eerste gevecht.
- Schud de kaarten en geef iedere speler 3 kaarten.
- Iedere speler zet verplicht 1 offerfiche in.
Stap 3 en 4 herhaal je aan het begin van elk nieuw gevecht.

Hoe speel je Gods Eat First?
Je wilt als laatste speler nog offerfiches over hebben. Een potje bestaat daarom uit een reeks gevechten, waarin telkens spelers fiches verliezen tot er nog één god overblijft die mag eten.
Elk gevecht begint met drie kaarten in je hand en een verplichte inzet van één fiche. Daarna volgen drie rondes waarin iedereen één kaart speelt. De startspeler legt de eerste kaart en bepaalt daarmee welke religie de anderen moeten volgen. Met de klok mee legt iedereen een kaart bij. Heb je een god uit die religie, dan moet je kleur bekennen. Kun je dat niet, dan mag je elke kaart kwijt, maar dan kun je die ronde ook niet winnen. De machtigste god van de gevraagde religie wint de ronde en die speler begint de volgende.
Alleen de laatste ronde beslist over het gevecht. De winnaar van die derde ronde houdt zijn ingezette fiches, terwijl alle andere spelers hun inzet kwijtraken aan de stapel in het midden. De eerste twee rondes bepalen dus vooral wie in de beslissende ronde mag beginnen en welke kaarten er dan nog in de handen zitten.
Voordat je in je beurt een kaart speelt, mag je de inzet met één fiche verhogen. Je legt het fiche erbij en roept daarbij “moarrr!”. Om de beurt beslissen de andere spelers of ze meegaan en zelf een fiche bijleggen of dat ze folden. Fold je, dan ben je je ingezette fiches kwijt en doe je niet meer mee. Heb je nog maar één fiche over, dan ga je automatisch mee. Na het gevecht schudt de winnaar de kaarten en deelt hij opnieuw, waarna de speler links van hem het nieuwe gevecht begint.
De zwakste goden hebben een extra kracht die van effect is zodra je de kaart speelt. Met Dionysus op tafel ga je gratis mee met elke verhoging en Mímir verandert in elke religie die je wilt. Speel je Sarutahiko, dan pak je een willekeurige kaart uit de hand van een tegenspeler en ruil je die met een kaart van jezelf. Hades laat je de religie van de volgende ronde kiezen als hij de huidige religie volgt. Loki draait de rangorde in het volgende gevecht om, zodat 6 de machtigste god wordt. Wint Izanami het gevecht, dan verliezen alle andere spelers dubbel zoveel fiches.
De volledige speluitleg is terug te lezen in de spelregels.
Drie kaarten en een grote mond
Gods Eat First speel je met 2 tot 5 spelers. Met twee spelers valt er weinig te bluffen, omdat je dan maar tegen één hand speelt. Het spel komt pas op gang als er drie of vier goden om dezelfde offers vechten. Hoe lang een potje dan duurt, hangt sterk af van hoe gretig er verhoogd wordt. Reken op twintig tot veertig minuten. Speel je voorzichtig, dan sijpelen de fiches langzaam weg. Roept iedereen om het hardst “moarrr!”, dan liggen de eerste spelers er na een paar gevechten al uit. Ben je vroeg uitgeschakeld, dan kijk je de rest van het potje toe en dat kan bij een volle tafel even duren.
Wat er tussen die gevechten gebeurt, is eenvoudig genoeg voor spelers vanaf een jaar of acht. Ken je kaartspellen als hartenjagen of klaverjassen, dan herken je het kleur bekennen meteen en zit je na één gevecht in het spel. De krachten van de goden zijn kort en staan op de kaart zelf. Wel laten de spelregels hier en daar een vraag open, bijvoorbeeld over hoe vaak je in één ronde mag verhogen. Dat past bij een eerste oplage waarin de maker nog aan het schaven is, maar tijdens het spelen moet je soms zelf een knoop doorhakken.
Omdat alleen de laatste ronde telt, draait je tactiek om timing. Een sterke god in de eerste ronde levert je alleen het startrecht op, terwijl diezelfde kaart in de derde ronde het gevecht kan beslissen. Daar komt bij dat juist de zwakke goden een kracht hebben. Een 5 of 6 die je eerst als nutteloos wegzet, kan het gevecht omgooien als het Loki of Izanami is. Toch blijft het geluk een flinke rol spelen. Met drie kaarten in je hand heb je weinig te kiezen en soms krijg je simpelweg drie zwakke goden.
Daar staat het bluffen tegenover. Met een slechte hand kun je toch verhogen en hopen dat je tegenspelers folden voordat de beslissende kaart gespeeld wordt. Daaruit komen de leukste momenten voort, als iemand met een strak gezicht “moarrr!” roept en de rest van de tafel probeert in te schatten welke goden hij nog achter de hand houdt. Omdat iedereen bij elke verhoging een keuze moet maken, zit je ook buiten je eigen beurt de hele tijd in het spel.
De afwisseling komt daardoor vooral van de mensen aan tafel. Het aantal goden en krachten is beperkt, dus na een paar avonden ken je de kaarten wel. Het bluffen blijft elke keer anders, omdat het afhangt van wie er tegenover je zit en hoe roekeloos die speler die dag is.



Een spel voor aan de cafétafel
Je haalt dit doosje tevoorschijn als je met een groepje vrienden ergens zit en iets kleins wilt spelen terwijl de drankjes op tafel staan. Op een terras of tijdens een vakantie werkt het goed, omdat je de regels in een paar minuten uitlegt en het spel vooral om de reacties aan tafel draait. Hou je van bluffen en vind je het leuk om je tegenspelers uit te dagen, dan zit je hier goed. Speelt er een jongere speler mee, dan is het kleur bekennen meteen een prima opstap naar grotere kaartspellen.
Zoek je een kaartspel met veel diepgang of hecht je aan mooi materiaal, dan is dit spel minder geschikt. Met drie kaarten in je hand zijn de keuzes beperkt en het doosje is eerder praktisch dan een sieraad voor je kast. Vind je het vervelend om uitgeschakeld te worden, dan zit je bij een volle tafel soms lang aan de zijlijn. Met vier spelers vind je de beste balans tussen bluffen en tempo.

Bluffen en slagen in andere doosjes
In Skull draait alles om bluffen en inzetten. Net als in Gods Eat First schat je je tegenspelers in en durf je meer te beloven dan je hand eigenlijk toelaat, al speel je daar zonder slagen en religies. Love Letter past in een even klein doosje en werkt ook met een handvol kaarten waarvan elk personage een eigen kracht heeft, terwijl spelers één voor één afvallen. Wizard is een slagenspel waarin je vooraf voorspelt hoeveel slagen je haalt. Daar zit meer denkwerk in, maar het kleur bekennen en de spanning rond de laatste slag zul je herkennen.
Conclusie
Gods Eat First is een klein en luchtig kaartspel dat kleur bekennen combineert met inzetten en bluffen. De regels heb je snel onder de knie en doordat alleen de laatste ronde telt, wordt elk gevecht een kwestie van timing en lef. De vrolijke tekeningen en het roepen van “moarrr!” geven het spel een losse sfeer. Daar staat tegenover dat geluk een flinke rol speelt, dat je met drie kaarten weinig te kiezen hebt en dat vroeg uitgeschakelde spelers moeten wachten. Het eenvoudige materiaal en de spelregels verraden bovendien dat dit een eerste oplage is. Speel je graag een snel bluffspel met vrienden aan de café- of keukentafel, dan is dit een leuk doosje om mee te nemen.

Toegankelijkheid: ★★★★☆
Kleur bekennen en verhogen leg je in een paar minuten uit.
Tactiek: ★★☆☆☆
Met drie kaarten heb je weinig keuze, al vraagt de laatste ronde om goede timing.
Geluk: ★★★★☆
Welke drie goden je krijgt, bepaalt een groot deel van je kansen.
Interactie: ★★★★☆
Elke verhoging dwingt alle spelers tot een keuze.
BRDGMZ ontving van de uitgever een recensie-exemplaar van Gods Eat First. Dit heeft geen invloed op ons oordeel. Lees er meer over in ons reviewbeleid.