Hieronder lees je hoe je Locus speelt. Deze uitleg is gebaseerd op de officiële spelregels van Tucker’s Fun Factory. In Locus van Stan van Rooijen kies je elke ronde een kaart met een vorm en teken je die vorm in op je eigen scorevel. Je speelt het met twee tot vijf spelers of alleen met de solovariant.
Doel van het spel
Iedere speler heeft een eigen scorevel met vijf gekleurde zones. Elke zone levert op een andere manier punten op, dus je moet per zone goed nadenken waar je een vorm neerzet. Wie aan het einde de meeste punten heeft, wint. Je zwakste zone telt bij de eindtelling nog een keer extra mee, waardoor het weinig zin heeft om een zone helemaal te laten liggen.
Voorbereiding
- Geef iedere speler een pen of potlood, een scorevel en een overzichtskaart.
- Schud de kaarten met vormen en leg ze als gesloten trekstapel midden op tafel.
- Kijk hoeveel rondes jullie spelen. Dat hangt af van het aantal spelers en staat ook linksboven op het scorevel.
- 2 spelers spelen 8 rondes
- 3 spelers spelen 5 rondes
- 4 spelers spelen 4 rondes
- 5 spelers spelen 3 rondes
- De speler die als eerste jarig is, wordt startspeler en krijgt de beurt-token. Dat is de houten ster.
- Iedere speler begint met één munt. Die staat al grijs ingekleurd in de muntenzone van je scorevel.

Spelverloop
Kaarten kiezen
De speler met de beurt-token draait een aantal kaarten van de trekstapel open. Dat zijn er altijd één meer dan het aantal spelers, dus met vier spelers liggen er vijf kaarten open. De speler met de beurt-token kiest als eerste een kaart. Daarna kiest iedere speler met de klok mee er ook één, zodat er aan het einde altijd één kaart overblijft.
Met de kaart die je gekozen hebt, kun je twee dingen doen. Meestal teken je de vorm in op je scorevel. Staat er ook een munt op de kaart, dan kleur je die munt in je muntenzone in. Je mag de kaart ook ongebruikt afleggen en krijgt daar dan twee munten voor.
Een vorm intekenen
De kleur van de vorm bepaalt in welke zone je hem intekent. Een rode vorm komt dus altijd in de rode zone terecht. Heeft een vorm de regenboogkleuren, dan kies je zelf de zone.
Je tekent de vorm altijd in zijn geheel in en mag geen vakjes overlappen die al ingevuld zijn. Draaien en spiegelen mag wel. In de gele, paarse, groene en blauwe zone moet de vorm minstens één dikgedrukt vakje bedekken of horizontaal of verticaal grenzen aan een vorm die er al staat. Daardoor begin je in die vier zones altijd op een dikgedrukt vakje. De rode zone heeft geen dikgedrukte vakjes en daar mag je een vorm overal kwijt.
Bonussen
Op sommige vakjes staat een bonus. Bedek je zo’n vakje met een vorm, dan krijg je die bonus meteen. Een vorm kan ook meerdere bonussen tegelijk opleveren.
- Bedek je een munt, dan kleur je een munt in je muntenzone in.
- Bedek je een enkel blokje in regenboogkleuren, dan kruis je één vakje af in een zone naar keuze. Dit blokje werkt dus als joker.
- Bedek je een dubbel blokje, dan kruis je twee vakjes af in de zone met de kleur van dat blokje. Die twee vakjes moeten aan elkaar grenzen en je mag ze niet los van elkaar plaatsen.
Voor vakjes die je via een bonus afkruist, gelden dezelfde plaatsingsregels als voor een vorm.
Munten verdienen
Je krijgt munten op drie manieren. Je kiest een kaart waar een munt op staat, je legt je gekozen kaart ongebruikt af of je bedekt een muntbonus op je scorevel. Elke munt die je krijgt, kleur je in op je muntenzone.
Munten uitgeven
Met munten voer je speciale acties uit. Dat mag op elk moment tijdens je eigen beurt. Voor elke munt die je uitgeeft, kruis je een ingekleurde munt in je muntenzone door.
- Voor 1 munt verander je de kleur van de vorm op je kaart. Je tekent hem dan in de zone van de kleur die je gekozen hebt.
- Voor 2 munten kruis je twee losse vakjes af. Die mogen in verschillende zones liggen, maar de plaatsingsregels blijven gelden.
- Voor 3 munten teken je ook de vorm van de kaart in die overblijft. Dat mag pas als iedereen een kaart gekozen heeft. Iedere speler mag deze actie uitvoeren, zolang hij of zij er zelf 3 munten voor betaalt. Staat er een munt op die overgebleven kaart, dan kleur je die ook in.
Je mag acties combineren. Met 4 munten neem je bijvoorbeeld de overgebleven kaart en teken je die vorm meteen in een andere kleur in.
Einde van een ronde
Een ronde is voorbij als iedereen zijn vorm heeft ingetekend, bonussen heeft verwerkt en de kans heeft gehad om munten uit te geven. Alle kaarten van die ronde gaan dan naar de aflegstapel. Is de trekstapel op, dan schud je de aflegstapel en vorm je daarmee een nieuwe trekstapel. De beurt-token gaat met de klok mee naar de volgende speler. Die draait weer evenveel kaarten open als in de vorige ronde en daarmee begint de nieuwe ronde.
De vijf zones
Elke zone heeft een eigen manier van punten scoren. Hieronder lees je per zone wat je moet doen.
De gele zone
In de gele zone scoor je alleen voor horizontale rijen die je helemaal hebt gevuld. In welke volgorde je de rijen vult, maakt niet uit. Je hoeft dus niet onderaan te beginnen. Zodra een rij vol is, omcirkel je het getal ernaast.
De paarse zone
In de paarse zone draait het om de dikgedrukte vakjes. Je scoort voor het aantal dikgedrukte vakjes dat je via ingevulde vakjes met elkaar verbindt. Alleen je grootste groep telt mee. Heb je één groep van vier verbonden dikgedrukte vakjes en een andere groep van drie, dan krijg je alleen punten voor de groep van vier. Hoeveel punten dat oplevert, lees je af op de schaal onder de zone. Vier verbonden vakjes zijn bijvoorbeeld 24 punten waard.
De rode zone
De rode zone bestaat uit verschillende blokken. Elk blok dat je volledig vult, levert de punten op die erbij staan. Je mag aan meerdere blokken tegelijk werken en hoeft een blok dus niet af te maken voordat je in een ander blok begint.
De groene zone
In de groene zone werk je vanuit het midden naar buiten toe. De uiteinden van de zone hebben een groene rand. Voor elk uiteinde dat je vanuit het midden met ingevulde vakjes bereikt, krijg je de punten die erbij staan. Bereik je drie uiteinden van 8 punten, dan levert de groene zone 24 punten op.
De blauwe zone
In de blauwe zone bouw je van onder naar boven. Sommige rijen hebben een blauwe rand en een puntenwaarde. Kom je met je vakjes in zo’n rij of erboven, dan scoor je die punten. Je hoeft de rij daarvoor niet helemaal te vullen. Alleen de hoogste puntenrij die je bereikt, telt mee.
Einde van het spel en puntentelling
Na de laatste ronde mag iedere speler nog één keer munten uitgeven. Daarna tel je de punten op in de vakjes onderaan je scorevel.
- Noteer de score van elke zone in het vakje met de kleur van die zone.
- Zoek je laagste zonescore op en schrijf die nog een keer in het grijze vakje. Die punten tellen dus dubbel mee.
- Tel alles op en vul je totaalscore in.
De speler met de hoogste totaalscore wint. Bij een gelijkspel kun je nog een potje spelen om de winnaar te bepalen.
Rekenvoorbeeld
Stel dat je in de gele zone drie volle rijen hebt die samen 32 punten opleveren. In de paarse zone heb je vier dikgedrukte vakjes verbonden en dat is 24 punten waard. In de rode zone heb je één blok gevuld voor 12 punten. In de groene zone bereik je drie uiteinden voor 24 punten en in de blauwe zone kom je tot de puntenrij van 32. Je laagste score is 12 punten in de rode zone, dus die komen er nog een keer bij. Je eindscore is dan 32 + 24 + 12 + 24 + 32 + 12 = 136 punten.
Solovariant
Alleen speel je met dezelfde regels als in het basisspel, op één verschil na. Je begint elke ronde met een kaart gesloten op de aflegstapel te leggen. Die kaart doet die ronde niet mee, ook niet via een speciale actie. Daarna draai je twee kaarten open, kies je er één en teken je die vorm in op je scorevel. Wil je de andere kaart ook gebruiken, dan betaal je daarvoor 3 munten. Vervolgens leg je de kaarten af en begin je aan de volgende ronde.
Zo speel je verder tot je precies één keer door de hele stapel kaarten bent gegaan. Daarna tel je je punten op zoals in het basisspel en heb je je eindscore.