Hieronder lees je hoe je Eenendertigen speelt. Eenendertigen is een traditioneel kaartspel, dus er bestaat geen officieel spelregelboek of vaste uitgever. Deze uitleg volgt de regels die in Nederland het meest gespeeld worden. Je speelt met twee tot acht spelers en een spel van 32 kaarten. Iedereen heeft drie kaarten en probeert met kaarten van dezelfde kleur zo dicht mogelijk bij 31 punten te komen. Het spel is in Duitsland bekend als Schwimmen en in Engelstalige landen als 31.
Bijna elke groep heeft eigen huisregels. Spreek daarom voor het eerste potje af welke regels jullie aanhouden. Onderaan deze pagina vind je de bekendste varianten.
Doel van het spel
In elke ronde probeer je een hand te maken die zoveel mogelijk punten waard is. De speler met de laagste hand verliest een leven. Ben je al je levens kwijt, dan lig je eruit. De laatste speler die overblijft, wint.
De kaarten
Je speelt met 32 kaarten. Van elke kleur gebruik je de 7, 8, 9, 10, boer, vrouw, heer en aas. Haal alle kaarten van 2 tot en met 6 en de jokers uit het spel.
Elke kaart heeft een waarde:
- De aas is 11 punten waard.
- Heer, vrouw, boer en 10 zijn elk 10 punten waard.
- De 9, 8 en 7 zijn hun eigen getal waard.
De waarde van je hand
Je hand bestaat altijd uit drie kaarten. Je telt alleen de kaarten van dezelfde kleur bij elkaar op. Heb je kaarten van verschillende kleuren, dan telt alleen de kleur met de hoogste waarde.
Een paar voorbeelden:
- Hartenaas, hartenheer en harten 10 zijn samen 31 punten waard. Dat is de hoogste score.
- Schoppenaas, schoppen 9 en ruitenheer zijn 20 punten waard. De schoppen tellen samen 20 en de ruitenheer telt los 10.
- Klaveren 8, harten 7 en ruiten 9 zijn 9 punten waard, want alleen de hoogste losse kaart telt.
Drie kaarten met dezelfde waarde, zoals drie vrouwen of drie achten, zijn samen 30,5 punten waard. Dat geldt ook voor drie azen.
Voorbereiding
- Geef iedere speler drie levens. Gebruik daarvoor fiches, lucifers of streepjes op papier.
- Kies een deler. De deler schudt en geeft iedere speler drie kaarten gedekt. Hij legt ook een extra stapeltje van drie kaarten gedekt voor zichzelf neer.
- De deler bekijkt zijn eigen kaarten. Daarna kiest hij of hij met die kaarten speelt of met het extra stapeltje, dat hij nog niet heeft gezien. De hand die hij niet kiest, legt hij open in het midden van de tafel. Dat zijn de tafelkaarten.
- Leg de overige kaarten gedekt opzij als stapel.
- De speler links van de deler begint. Je speelt met de klok mee. Na elke ronde schuift het delen een plek op naar links.
Je beurt
In je beurt moet je een van deze drie dingen doen.
Een kaart ruilen
Je ruilt een kaart uit je hand met een van de drie tafelkaarten. Je legt jouw kaart open op de plek van de kaart die je pakt.
Alle kaarten ruilen
Je ruilt je hele hand in een keer met de drie tafelkaarten. Twee kaarten ruilen mag niet. Het is een of drie.
Passen
Ben je tevreden met je hand, dan zeg je “pas” en klop je op tafel. Je ruilt niets meer. Iedere andere speler krijgt daarna nog precies een beurt. Daarna leggen alle spelers hun kaarten open en eindigt de ronde.
Je kunt al passen in je eerste beurt. Dat is handig als je meteen een goede hand hebt, want de anderen krijgen dan maar een kans om te verbeteren.
Eenendertig
Heb je na het delen of na het ruilen precies 31 punten in een kleur, dan leg je je kaarten meteen open. De ronde is dan direct voorbij en niemand mag nog ruilen. Alle andere spelers vergelijken hun hand. De speler met de laagste hand verliest een leven.
Einde van een ronde
Na de laatste beurt leggen alle spelers hun kaarten open. Iedere speler noemt de waarde van zijn hand. De speler met de laagste waarde verliest een leven.
Hebben meerdere spelers samen de laagste waarde, dan verliezen ze allemaal een leven.
Zwemmen en eruit liggen
Ben je je laatste leven kwijt, dan ga je zwemmen. Je doet nog gewoon mee, maar je hebt geen levens meer over. Verlies je als zwemmer nog een ronde, dan lig je eruit.
Het spel gaat door tot er nog maar een speler over is. Die speler wint.
Bekende varianten
De regels hierboven vormen de meest gespeelde basis. Hieronder staan huisregels die je vaak tegenkomt. Kies er vooraf een paar uit, zodat iedereen weet waar hij aan toe is.
Doorschuiven
Je mag in je beurt ook doorschuiven zonder te ruilen of te passen. Je laat de tafelkaarten dan liggen en de volgende speler is aan de beurt. Schuiven alle spelers achter elkaar door, dan gaan de tafelkaarten weg en legt de deler drie nieuwe kaarten van de stapel open.
Drie azen
Drie azen zijn 32 punten waard en winnen van alles. Leg je drie azen, dan verliest iedere andere speler meteen een leven.
Meer levens
Geef iedere speler vier of vijf levens. Dan duurt het spel langer.
Met 52 kaarten
Speel je met veel spelers, dan kun je alle kaarten van het spel gebruiken. De 2 tot en met 6 zijn dan hun eigen getal waard.